Voor USB bestond, had elk apparaat zijn eigen aansluiting. Een muis ging in een ronde PS/2-poort, een printer in een brede parallelle poort, een modem in een seriële poort – en een scanner had soms een eigen kaart nodig die je in je computer moest schroeven. Dat een enkel stekkertje nu vrijwel alles kan, is het resultaat van dertig jaar standaardisering.

1996: de eerste versie

USB stond voor Universal Serial Bus, en die naam was een belofte: één universele aansluiting voor alles. Een groep bedrijven waaronder Intel, Microsoft, IBM en Compaq werkte samen aan de standaard. USB 1.0 haalde maximaal 12 Mbps – genoeg voor toetsenborden, muizen en printers.

De eerste jaren gebeurde er weinig. Computers hadden de poorten wel, maar er waren nauwelijks apparaten. Pas toen fabrikanten massaal overstapten, kwam het op gang.

2000: USB 2.0 en de doorbraak

Met 480 Mbps werd USB 2.0 veertig keer sneller. Dat maakte iets nieuws mogelijk: externe opslag. De USB-stick verving de diskette in een paar jaar tijd, en digitale camera's konden hun foto's rechtstreeks overzetten. USB 2.0 werd zo alomtegenwoordig dat de standaard vandaag, ruim twintig jaar later, nog steeds in gebruik is voor printers, toetsenborden en simpele randapparatuur.

2008: USB 3.0 en de kleur blauw

USB 3.0 bracht 5 Gbps en een praktisch detail dat veel mensen kennen zonder te weten waarom: het blauwe kunststof in de connector. Dat was een afspraak om de snellere poorten visueel herkenbaar te maken – de stekkervorm bleef namelijk identiek en paste gewoon in oudere poorten.

2014: USB-C, eindelijk omkeerbaar

De grootste ergernis van USB was jarenlang het insteken: de stekker paste maar op één manier, en die manier leek altijd de verkeerde. USB-C loste dat op met een symmetrische connector die je nooit verkeerd om kunt houden.

Maar USB-C bracht meer dan gemak. De aansluiting kan tegelijk stroom leveren, data versturen én beeld doorgeven. Daardoor kan één poort een laptop opladen, een monitor aansturen en een schijf uitlezen – iets waar vroeger drie verschillende kabels voor nodig waren.

De naamgeving liep uit de hand

Ondertussen ontstond er een probleem waar de standaard nog altijd last van heeft: de naamgeving. Dezelfde snelheid werd meerdere keren hernoemd, waardoor USB 3.0, USB 3.1 Gen 1 en USB 3.2 Gen 1 alle drie exact hetzelfde betekenen. Marketingnamen als SuperSpeed en SuperSpeed+ maakten het niet duidelijker.

Het gevolg: twee kabels die er identiek uitzien kunnen totaal verschillende dingen kunnen. De vorm van de stekker zegt niets meer over wat er doorheen kan.

Nu: één poort voor alles

Sinds eind 2024 is USB-C in de Europese Unie de verplichte laadpoort voor telefoons, tablets en veel andere apparaten. Daarmee is de belofte uit 1996 dichterbij dan ooit: één universele aansluiting.

Of dat het eindpunt is, valt te betwijfelen. De geschiedenis van de techniek leert vooral dat elke “definitieve standaard” uiteindelijk wordt opgevolgd door iets wat sneller, kleiner of slimmer is.

Achtergrond, Geschiedenis, Techniek, Usb